Houd het vuur brandend

Houd het vuur brandend

Marcus 13, 33-37 1e advent

Soms word ik overvallen door sentimentele gevoelens van vroeger. Onze lezing doet me denken aan mijn jeugd bij de padvinderij wanneer je op kamp aan de beurt was om ’s nachts de wacht te houden. Objectief gezien viel er helemaal niets te bewaken, maar al gaande kreeg dat waakzaam-zijn een heel eigen dimensie: Dan zat je daar in de kleine uurtjes bij het vuur. Je voelde de verantwoordelijkheid voor de anderen die lekker lagen te slapen. En je hield het vuur brandende zodat je het de volgende ochtend alleen maar hoefde op te porren in plaats van in aller vroegte met nat hout opnieuw vuur te moeten maken.

Maar tijdens jouw beurt gebeurde nog veel meer met jezelf. In de stilte was het alsof je nog beter ging horen, in de donkerheid ging je nog scherper kijken. In de eenzaamheid was het alsof je geest net wat meer open ging. – Overdag dachten we dat we over de anderen gingen waken, maar dat waakzaam-zijn bleek veelmeer een spirituele oefening voor jezelf. Overdag dachten we ook dat het best praktisch is om het vuur brandende te houden, maar ondertussen bleek je ook een heel ander vuur brandende te houden.

Dat is wat ook ons evangelie bedoelt. ‘Wees waakzaam. Laat hij jullie niet slapend aantreffen.’ Houd je ogen en oren wijd open, stel je hart en je geest open, en houd zo het vuurtje brandende. – En dat is precies wat we in de adventstijd doen. Vanochtend steken we het eerste kaarsje aan. Een klein vlammetje, nog maar net genoeg om brandende te blijven, nog maar net genoeg om het ergste donker op afstand te houden.

Uiteraard is het met sentimentele gevoelens zo dat je achteraf de moeilijke kanten gewoon vergeten bent. Want natuurlijk had je het koud als je de wacht moest houden, je moest moeite doen om de ogen open te houden, en eigenlijk wilde je alleen maar terug in je slaapzak. – Maar ook dat komt in het leven goed van pas. Want hoe vaak is het niet precies zo:

Dan denk je dat je het ergste hebt gehad, de operatie lijkt geslaagd, je hebt ontzettend veel moeite gedaan om te herstellen, maar dan blijkt dat je er nog niet bent en moet je opnieuw door een diep dal. Of je vecht als een leeuw tegen de spoken uit het verleden, je bent al door zoveel diepe en donkere dalen gegaan; soms vang je een glimp op van het licht, maar dan is er toch nog weer een dal waar je doorheen moet. Van de zomer dachten we nog dat we het ergste van de coronacrisis wel hadden gehad, maar nu ziet het er helemaal niet zo rooskleurig uit. We hopen nog dat we met kerst wat meer licht en ruimte kunnen krijgen – misschien met de familie aan tafel, en hier in de kapel wellicht met wat meer mensen kunnen vieren – maar dat licht is nog niet echt te zien.

In de zorg hadden we gehoopt om weer uit het dal te kunnen klimmen, maar intussen hebben de verpleegkundigen en artsen zich klaar gemaakt voor een veel langere tocht. Als onderwijzer werk je al de hele tijd op het randje van wat er qua besmettingsgevaar nog net verantwoord is, maar nu blijken ook jonge kinderen drager te kunnen zijn van het virus. In je baan is het je misschien gelukt om de eerste klappen nog enigszins op te vangen, maar nu het steeds langer duurt weet je niet meer of je het nog gaat redden. Je had gehoopt dat er weer wat meer bezoek mogelijk zou zijn, eindelijk weer je kinderen en kleinkinderen knuffelen. Maar de eenzaamheid blijft maar duren.

En toch steken we vanochtend het eerste kaarsje aan. Toch maken we ons ‘bereid voor het licht’. Met onze ogen turen we in het donker of we het licht al gewaar worden, we leggen onze oren te luisteren om misschien al de geluiden van de nieuwe morgen te kunnen horen. We geven ons niet over aan de nacht maar we stellen ons hart en onze geest open voor het nieuwe licht. ‘Wees waakzaam. Laat hij jullie niet slapend aantreffen.’ Laten we het vuur brandende houden, laten we bereid zijn voor het licht.

Laten we zo de wacht houden. En als de morgen aanbreekt hoef je het vuur alleen maar een beetje op te porren en brandt het binnen de kortste keren in lichter laaie. En als je uit het donkere dal aan het licht komt dan blijk je tijdens je wachtbeurt meer kracht en meer wijsheid gekregen te hebben dan je had kunnen denken. Na de nacht blijkt je waakzaam-zijn je veranderd te hebben en ben je ‘bereid voor het licht’.

Ekkehard Muth, 29 november 2020