Lucas 11, 1-13
Genesis 18, 20-32 2022

 

De lankmoedigheid van God wordt op de proef gesteld. ‘Misschien dat er in de stad vijftig onschuldigen zijn’, zegt Abraham, ‘wilt u dan behalve de schuldigen ook de onschuldigen het leven benemen?’ En ook onze lankmoedigheid werd op de proef gesteld. Twee jaar kon de vierdaagse niet doorgaan, en toen het dit jaar eindelijk wel weer kon, moesten we alsnog een dag extra wachten. Stel dat er vijftig mensen bezwijken onder de hitte, zou u het dan toch door laten gaan? En, om maar met Abraham te spreken, stel dat er aan de vijftig vijf ontbreken, of stel dat het er maar veertig zijn, of dertig, of twintig, tien…

Misschien waren de allermeeste lopers goed voorbereid en hadden ze de zware omstandigheden goed aangekund, maar omwille van de zwakkeren deden we met z’n allen zelfs na twee jaar alsnog een stapje terug. En misschien nog belangrijker: we deden een stapje terug om achteraf niet met de last te moeten leven van ‘hadden we niet toch verstandiger moeten zijn?’ en ‘hadden we de slachtoffers niet kunnen voorkomen?’

‘Dat kunt u toch niet doen’, zegt Abraham tegen God. En God bindt telkens weer in: ‘nee’ zegt God, ‘ook al zouden het er maar tien zijn.’

Het is een beetje als wanneer je op vakantie een souvenir koopt.‘I can make a special price for you’ zegt de ietwat louche handelaar en nodigt je daarmee uit om te onderhandelen. Vijftig, vijfenveertig, veertig, dertig, tien. Aan het eind zijn allebei blij, jij omdat je denkt een goede prijs uitonderhandeld te hebben, en de handelaar omdat iet toch noch flink winst gemaakt heeft, maar vooral ook omdat jullie allebei plezier hadden in het spel.

Zo staat ook Abraham af te dingen bij God. Met alle tactiek die erbij hoort. ‘U, de rechter over de hele aarde, u moet toch rechtvaardig handelen?’ of ‘ik ben natuurlijk niets dan stof, maar toch ben ik zo vrij…’ of ‘ik hoop dat u niet kwaad wordt wanneer ik het waag door te gaan’ en ‘ik hoop dat u niet kwaad wordt wanneer ik nog één keer…’ – Goed dan, zegt God, dan zal ik Sodom en Gomorra niet verwoesten.

Achteraf is Abraham blij omdat hij denkt dat hij de lankmoedigheid van God flink heeft kunnen rekken. En God is blij dat Abraham hem zo aan zijn eigen woord houdt. Zo heeft God zich de wereld voorgesteld, dat we barmhartig met elkaar omgaan – dat we na twee jaar wachten bereid zijn om ook nog een dag extra te wachten – lankmoedig. God is blij dat Abraham hem zo goed begrepen heeft.

En God is blij dat Abraham er zo driftig werk maakt van – zoals Jezus ons in het evangelie leert bidden – ‘uw naam worde geheiligd’, en dat ‘uw koninkrijk kome.’

We bidden het elke zondag:

Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

En vergeef ons onze schuld

zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.

En leid ons niet in bekoring.

Maar verlos ons van het kwade

Als je Sodom en Gomorra weer een beetje tot leven wilt wekken dan kan dat alleen zo.

Het Zoutgebergte bij de Dode Zee is een zoutwoestijn waar nooit leven heeft kunnen ontstaan. Het is er echt, zoals in het scheppingsverhaal, woest en leeg. Geen boom, geen bloem, geen grasspriet, geen vogel en geen dier te bekennen. – Als je je het kwaad moet voorstellen, als je moet bedenken waar alle kwade wil en alle slechtheid naartoe leidt, dan is dat wel de plek. Zoutformaties die eruitzien als ruïnes van kapotgeschoten steden, dood en onvruchtbaar land nadat we de aarde leeggeroofd hebben. Zo moet het grootst voorstelbare kwaad eruit zien.

Sodom en Gomorra, dat is de buurman bij wie je vergeefs om brood vraagt. Dat is dat je je vriend niets kunt voorzetten. Dat is een deur die gesloten blijft als je aanklopt. Dat is een vader die zijn kind in plaats van een vis een slang geeft, en een schorpioen in plaats van een ei.

Hoe krijg je dat toch weer goed? Door Sodom en Gomorra te verwoesten en van die zoutwoestijn dus en nog ergere woestijn te maken? – Abraham wist nog niets van Jezus, maar hij heeft het ook zo al begrepen. Stel dat het er vijftig zijn die bidden ‘uw naam worde geheiligd’. Stel dat er vijfenveertig bidden ‘uw rijk kome’; en veertig ‘uw wil geschiede.’ Stel dat het er dertig zijn bij wie je bij nacht en ontij kunt aankloppen voor dagelijks brood. Stel dat het er twintig zijn die elkaar vergeven. En stel dat het er tien zijn die bidden ‘verlos ons van het kwade.’

Dan wordt de zoutwoestijn vruchtbaar land. En waar het ooit Sodom en Gomorra was vinden we het warme bad van de Sint Annastraat. Dan wenken ons bloeiende gladiolen.

 

Ekkehard Muth, 24 juli 2022