Wat er al is

Wat er al is

Lucas 2, 22-32 Augustinus Over het geluk 2,10

Moeder en zoon: Monica en Augustinus, Maria en Jezus. Je hebt heel wat te stellen voordat je kinderen groot zijn. En ook als ze eenmaal volwassen zijn houdt het eigenlijk niet op. Je wilt namelijk dat ze gelukkig zijn. Maar tegelijkertijd wil je ze ook sterk genoeg maken voor de tijden waar het geluk even verstek laat gaan.

Maar ook als je geen kinderen hebt ken je het verlangen dat je bij wilt dragen aan het geluk van de mensen om je heen, en je wilt tegelijkertijd meehelpen dat je ook in minder gelukkige tijden samen overeind blijft.

Moeder Monica is trots en tegelijkertijd houdt ze haar hart vast, haar zoon Augustinus staat namelijk te filosoferen: ‘Wil God dat de mens gelukkig is?’ Ja, natuurlijk. ‘Iedereen wil toch gelukkig zijn?’ Ja zeker. En Augustinus gaat verder: ‘Denk je dat je gelukkig bent als je niet hebt wat je wilt? Nee. Maar Monica kent haar zoon goed genoeg om te weten dat het nu oppassen geblazen is. En ja, hoor, nu komt het: ‘Ben je dan wèl gelukkig als je hébt wat je graag wilt?’ Nu moet ze ingrijpen: ‘Nee!’, het is namelijk afhankelijk van wát je wilt. De tijden dat haar zoon de verkeerde dingen najoeg die staan haar namelijk nog volop voor de geest. Het ligt genuanceerder: ‘Als je graag goede dingen wilt en die ook krijgt, dan ben je gelukkig. Maar als je slechte dingen wilt, ben je ongelukkig, ook al krijg je ze.’

Maria en Jozef komen met hun zoon Jezus naar de tempel. Sinds in de nacht voor de uittocht alle eerstgeborenen van de Egyptenaren gedood werden waardoor de farao de Israëlieten eindelijk liet gaan, sindsdien is het gebruikelijk dat de eerstgeborene opgedragen wordt aan God om hem vrij te kopen. — Gedenk wat het gekost heeft om jou te bevrijden. En denk maar niet dat je zoveel beter bent dan de Egyptenaren. — In onze traditie is daaruit Maria-Lichtmis ontstaan. 40 dagen na kerst sluiten we het kerstcyclus af en daarmee ook de grotere kring van lichtfeesten vanaf Sint Maarten, Santa Lucia, advent, kerst, Driekoningen tot aan Maria-Lichtmis.

Maria en Jozef zijn nog niet bij de tempel aangekomen, of de oude Simeon pakt het kind op en begint aan wat later de lofzang van Simeon zal worden: ‘Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, want met eigen ogen heb ik de redding gezien.’ Tot op de dag van vandaag wordt de lofzang van Simeon in de kloosters gezongen, in de completen, het laatste gebed voor dat je de nacht ingaat; de nacht van de slaap, en ooit de nacht van de dood.

Net als Monica trots is op haar zoon, zo kijkt ook Maria vol trots naar dit tafereel, maar tegelijkertijd houdt ze ook haar hart vast. En ja, twee alinea’s verderop vinden we het verhaal dat de ouders 12 jaar later weer met hun zoon naar de tempel komen. Maar binnen de kortste keren is hij kwijt, totdat ze hem uiteindelijk in de synagoge terugvinden waar hij met de geleerden druk in gesprek is.

Monica en Maria. Vanuit je ouderlijke bezorgdheid zoek je naar het geluk voor je kind, totdat je vaststelt dat het geluk er al lang is. Het is continu een oefening in vertrouwen. Je moet vertrouwen geven zodat je kind kan groeien, en je moet alert zijn als je kind het vertrouwen nog even niet waarmaakt. Sinds de wilde jaren van Augustinus weet Monica er alles van, maar uiteindelijk zal Augustinus uitgroeien tot kerkvader, die ons tot op de dag van vandaag inspireert. En ook Maria moet oefenen. Ze brengt haar zoon naar de tempel om hem vrij te kopen, maar dan roept Simeon dat Jezus zelf de bevrijder is. Later raakt ze Jezus kwijt in de menigte, maar vindt ze hem terug waar hij al die tijd al hoorde.

Het is alsof je op zoek bent naar wat er al is. ‘Denk je dat je gelukkig bent als je niet hebt wat je graag wilt?’, vraagt Augustinus, en ‘ben je dan wèl gelukkig als je hébt wat je graag wilt?’ Je bent op zoek naar het geluk omdat je nog niet hebt wat je graag wilt. En als je eenmaal hebt wat je graag wilt dan blijkt dat je het al lang had. Je kind blijkt al lang zijn weg gevonden te hebben. Misschien heel anders dan je je had voorgesteld, maar toch. Je breekt je hoofd over hoe het toch verder moet gaan, en achteraf blijkt dat het weliswaar anders is gegaan dan gedacht, maar dat het wel degelijk goed is gekomen. Op een andere plek zegt Augustinus: ‘Ik zocht u buiten, maar u was in mij.’ Je zoekt naar wat je niet hebt, totdat je beseft dat je het al lang wel hebt. Je zoekt God, totdat je erachter komt dat hij al lang bij jou is.

Misschien kijk je net als Monica en Maria ook naar onze kerkgemeenschap. Als Augustinus in de tuin van Cassiciacum staan we grote woorden te spreken en grootse plannen te ontvouwen, en je denkt: hoe moeten we dat toch waar maken? En als Jezus verdwijnen we wellicht in de menigte van samenwerkingsverbanden en van allerlei andere zingevings-initiatieven; komen we wel op de goede plek terecht? Laat staan dat je je afvraagt of we verwelkomd zullen worden zoals Jezus welkom was bij Simeon. — Wat gaat er van dat kind worden?

Ik zocht u buiten, maar u was in mij — Als je dan goed kijkt naar wat er al wel is. Als je kijkt naar het talent wat hier aanwezig is. Als je kijkt naar de goede wil van ons allemaal, naar het geloof en de inspiratie. Als je kijkt hoe we met elkaar vieren en hoe het ons telkens weer lukt om kerkgemeenschap te zijn. Misschien komt de Monica en de Maria in jou tot de conclusie dat we weliswaar op zoek zijn, maar dat het er tegelijkertijd al lang is.

Laten we samen verder gaan, samen op zoek naar wat er al is.

Ekkehard Muth, 2 februari 2020