Ut omnes unum sint

Ut omnes unum sint

Johannes 17, 1-2; 11-19 Ut omnes unum sint

 

In de grote vergaderzaal van de Wereldraad van Kerken in Genève hangt een groot wandtapijt met daarop uitgebeeld het visioen van Johannes ‘dat allen één zijn’, in het Latijn ‘ut omnes unum sint’. Dat komt uit ons evangelie, waar Jezus in een groot hogepriesterlijk gebed zijn missie voltooit, namelijk God en de mensen te verenigen. En als God en mensen één zijn dan zullen de mensen ook onderling één zijn; vandaar de wens van de Wereldraad van Kerken, dat ook alle kerken ooit één mogen zijn.

En Johannes, u weet dat de evangelist Johannes een groot mysticus is, hem gaat het om de mystieke verbondenheid met God. In de theologie noem je dat ook weleens de ‘unio mystica cum Christo’, het mystieke één-zijn met Christus. Of zoals Jezus het in zijn hogepriesterlijk gebed zegt: ‘ik in hen en u in mij’. Dus ik -Christus- in hen -de mensen- en u -God- in mij.

Hoe is het gesteld met ons één-zijn? De een is al helemaal ingeënt, de ander zit nog te wachten. Je ziet dat andere mensen al een oproep hebben, terwijl jij volgens het schema eigenlijk toch eerder aan de beurt zou moeten zijn. De één is de coronamaatregelen helemaal zat, terwijl de ander denkt: laten we met z’n allen nog even volhouden, want samen komen we namelijk veel eerder uit de crisis.

Weet u nog hoeveel saamhorigheid we precies een jaar geleden nog voelden? Nu willen we alleen nog maar zo snel mogelijk uit de crisis komen, en het liefst nog eerder dan de buurman.

En juist hier wordt duidelijk dat het één-zijn dieper gaat dan ons misschien lief is. Zolang de buurman nog corona kan krijgen ben je namelijk niet veilig. Zolang er nog één mens ergens in een ver land corona kan krijgen zijn we ook hier niet van het virus af. – We zijn meer één dan ons lief is. De mystieke eenheid die Jezus in zijn hogepriesterlijk gebed bezweert, die is sterker dan je misschien als individu wilt.

Niet voor niets staat in de regel van Augustinus deze eenheid helemaal boven aan, in de eerste zinnen schrijft hij: ‘Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen, één van ziel en één van hart op weg naar God.’ En wie een beetje inkijk heeft in het kloosterleven, die weet, dat die eensgezindheid soms meer een opgave is dan een feit. En dan is het niet zozeer zaak om het met elkaar eens te worden, maar het is veelmeer zaak om terug te keren naar het gegeven dat je in God meer met elkaar verbonden bent dan je lief is. Dat je één van ziel en één van hart bént, ook al kan je dat niet altijd evengoed voelen.

Het is een beetje als in een lange relatie. De verliefdheid heeft plaats gemaakt voor een diepe en doorleefde liefde. En die liefde laat zich niet vertroebelen door onenigheid of door het gekissebis van alledag. Wat er ook gebeurt, diep in je hart weet je dat jullie één zijn.

‘Ut omnes unum sint’, dat allen één mogen zijn. Onze crisis drijft ons op dit moment misschien uit elkaar, maar tegelijkertijd maakt zij duidelijk dat we meer met elkaar verbonden zijn dan ons lief is. Het is een grote beproeving, maar het is ook een grote kans om met elkaar solidair te zijn. Wereldwijd. Daarom is dit gebed ook de leidraad van de Wereldraad van Kerken.

Maar dat we allen één mogen zijn gaat veel dieper dan de verbondenheid door een gemeenschappelijke crisis. Ten diepste horen we bij elkaar omdat we met elkaar verbonden zijn in God. Voor u en voor mij als individu is dat zeker niet altijd makkelijk, en toch mogen we delen in de verbondenheid die ons allemaal overstijgt. Daarom kan Augustinus zeggen: ’Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen, één van ziel en één van hart op weg naar God.’ Want de verbondenheid is er al. En Jezus bidt voor ons, want de verbondenheid moet steeds opnieuw weer gestalte krijgen. Ut omnes unum sint.

Ekkehard Muth, 16 mei 2021