De bron waar wij allemaal uit drinken

De bron waar wij allemaal uit drinken

Johannes 4, 5-15 Exodus 17, 3-7

Van de vier evangelisten is Johannes degene die nog de minste boodschap heeft aan al het aardse gedoe. Aan de buitenkant vertelt hij wel het leven van Jezus, maar diep van binnen vertelt hij iets heel anders. Bij alles wat er waar gebeurd is gaat het hem vooral om de waarheid daar achter. Om de waarheid aan de binnenkant.

Hij laat het dan ook aan de vrouw over om al het gedoe uit te leggen: Joden gaan niet om met Samaritanen, bijvoorbeeld, en dit is de bron van onze aartsvader Jakob, hij heeft ons die bron gegeven en er nog zelf uit gedronken, en ook zijn vee. Lekker belangrijk, denkt Johannes, hij wordt er een beetje moe van.

En toch draagt hij al die details aan, want ze verwijzen tegelijkertijd naar een veel diepere waarheid. En die wil Johannes nou wel graag vertellen.

Joden gaan niet om met Samaritanen, dat is hetzelfde als protestanten kopen niet bij katholieken. Dat vinden wij intussen erg bekrompen, en dat was het toen ook al. Hier bij de bron zal duidelijk worden hoe kortzichtig dat is.

En de waarheid achter de waarheid van de bron van Jakob dat die van een bron waaruit je water kan putten algauw verandert in ‘de’ bron waaruit wij allemaal drinken. Aartsvader Jakob is de zoon van Isaac en de kleinzoon van Abraham, en hij is zelf de vader van de twaalf zonen waaruit de twaalf stammen van Israël zullen voortkomen. Op die manier is hij dus de aartsvader van Israël, en dus ook van Jezus. Ook Jezus drinkt uit deze bron, hoewel hij tot nu toe nog geen beker water heeft gekregen. Jakob is daarmee de aartsvader van de joods-christelijke traditie waarin ook wij tot op de dag van vandaag staan. Dus de bron van Jakob, dat is ook onze bron.

De oom van Jakob, trouwens, is Ismael, en dat is weer de stamvader van de islamitische traditie. En ja, Jakob is ook degene die aan zijn oudere tweelingbroer Esau op een slinkse manier het eerstgeboorterecht heeft ontfutseld. — Het stamvader-zijn van Jakob, het aartsvader-zijn begint dus niet bepaald vlekkeloos. Aartsvaders zijn net mensen. Maar voor Johannes valt ook dit gewoon onder de noemer aardse strubbelingen en gedoe.

‘Maar,’ heer, zegt de vrouw, ‘u hebt geen emmer en de put is diep.’ En terwijl de vrouw misschien denkt aan de diepte in meters, denkt Johannes ook hier weer aan een heel andere diepte. Ze heeft gelijk, de bron is inderdaad diep, want de bron van Jakob, dat is de bron die via Jakob, Isaac en Abraham teruggaat naar God zelf. Diep onder in de bron welt God zelf op. Het is de bron waar alle Abrahamitische religies uit drinken, namelijk Joden, Christenen en Moslims. — Samen drinken wij uit dezelfde bron.

Het gesprek is al een hele poos op gang, maar nog steeds is er nog geen druppel water uit de bron gehaald. En dat zal ook in het vervolg niet gebeuren. Jezus heeft geen emmer en de vrouw is zo in het gesprek verwikkelt dat het er niet van komt. Maar dit water stroomt ook zonder emmer. ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.’

Nu lijkt het erop alsof hier vertelt wordt dat Jezus toch de ware messias is en dat de Samaritanen maar beter kunnen converteren. Maar dat is wat je aan de oppervlakte zou kunnen denken. Nee,Johannes duikt met ons ook hier weer de diepte in. Iedereen die uit die bron alleen maar water haalt, die zal opnieuw dorst krijgen. — Dat is net als in het gedicht (dat ik bij de opening noemde): ‘Maar enkel hij die het ziet’ proeft het levend water, ‘de rest zit er omheen’ en drinkt alleen water. — Maar, gaat Jezus verder, wie uit de bron drinkt waaruit God zelf opwelt, die zal nooit meer dorst krijgen. Sterker nog, die zal zelf een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.

‘Geef me dat water’, zegt de vrouw, en op dat moment drinken ze samen uit de bron. — Nog steeds is er geen druppel water aan te pas gekomen — maar samen drinken ze uit de bron die dieper is dan je met welke emmer dan ook kunt reiken.

Die ene bron waarin God zelf opwelt. Die ene bron waar wij allen uit putten, Joden, Samaritanen, Moslims, Christenen. En wie weet welt die bron ook op in levensbeschouwingen die er heel andere beelden aan geven.

En nog steeds is er geen bekertje water uit die bron gehaald. ‘Heer, u hebt helemaal geen emmer.’ Die is ook niet nodig, want ze zijn samen voor elkaar tot ‘emmer’ geworden. Ze zijn voor elkaar zelf tot bron geworden waaruit levend water opwelt.

Ook wij drinken uit die ene bron. Mogen we zelf voor elkaar tot bron worden. Moge God door ons, met ons en in ons opwellen.

Ekkehard Muth, 15 maart 2020